De kikkererwt in de pan Sipko A. den Boer Liefde fluistert me in het oor: ‘Je kunt beter een prooi zijn dan een jager. Wees mijn dwaas - verzaak de hoge staat van de zon en word een stofje! Kom, hang rond bij Mijn deur en word dakloos. Doe niet net of je een kaars bent, wees een mot, opdat je de smaak van het leven mag proeven en mag zien dat er gezag schuilt in dienstbaarheid.’ Roemi, Juwelen (Masnavî V:411-414) Eeuwenlang was de Perzische dichter en mysticus Djelal-oed-din Roemi (1207-1273) alleen in het Midden-Oosten en Azië bekend. Maar sinds enige tientallen jaren heeft ook het Westen hem ontdekt als een van de allergrootste literaire en spirituele persoonlijkheden die de wereld ooit gekend heeft. Zijn werk is inmiddels in vele talen vertaald. Na de eerder verschenen bloemlezing Daglicht, verschijnt nu de bundel Juwelen. Hiervoor heeft Sipko A. den Boer opnieuw vele poetische en wijze teksten bij elkaar gezocht, ditmaal uit de boeken III t/m VI van de Masnavî, het meesterwerk van Roemi.
De Masnavî is een leerdicht dat zes boeken en zo’n 25.577 versregels beslaat. Het bestaat uit onderling verweven verhalen, metafysische bespiegelingen en hoge vluchten van lyrische inspiratie. De levenswijsheid die Roemi in zijn werk tot uitdrukking brengt, openbaart een grote waarheid, namelijk dat al het leven één is. Het innerlijke pad waarop Mevlâna (Turks voor ‘onze meester’) ons wijst, is een weg die door het hart gaat. Roemi heeft als mystiek dichter op geïnspireerde wijze gebruik gemaakt van het woord om zeer diepe, mystieke wijsheden uit de islamitische traditie over te brengen. Toch kwam hij telkens weer uit bij het gevoel dat woorden slechts stof zijn op de spiegel van de ‘directe ervaring’. In deze wereld is het zaak het hart te zuiveren, te polijsten en uiteindelijk te vervolmaken als een spiegel waarin Gods kwaliteiten zich weerspiegelen. De Mevlevi derwisjen hebben hun waardering voor de mystieke kant van het leven nooit onder stoelen of banken gestoken, maar hebben er ook altijd op gewezen dat je als mens van het leven mag genieten.
God is de geliefde Het pad van Roemi is als een smeltkroes -- het ruwe materiaal dat erin gegooid wordt, wordt zoveel als mogelijk getransformeerd. De spirituele oefeningen die Roemi kende waren gericht op het overstijgen van de dwangmatigheid van het onechte zelf om te komen tot islam, ‘onderwerping’ aan een hogere orde van werkelijkheid. Zonder deze onderwerping is het echte zelf verslaafd aan het ego en leeft op grond van de tegenstrijdige dingen die daarin opwellen in een toestand van innerlijke tweestrijd. Het verslaafde ego is afgesneden van het hart, het voornaamste orgaan voor het waarnemen van de werkelijkheid en kan zodoende de spirituele leiding en voeding waarin het hart voorziet niet ontvangen. Het overwinnen van deze verslaving leidt tot de verwezenlijking en ontplooiing van ware menselijkheid. Spirituele rijpheid is het besef dat het zelf een afspiegeling is van het Goddelijke. God is de Geliefde, de Vriend, de transpersoonlijke identiteit. Liefde tot God leidt ertoe dat de minnaar zichzelf vergeet in de liefde tot de Geliefde. Roemi illustreert deze vorm van loutering met het prach¬tige beeld van de kikkererwt die gaar moet koken in de kookpot, en als het water aan de kook is, voortdurend schreeuwend in de pot naar boven komt. Kijk naar de kikkererwt in de pan, hoe ze opspringt als ze het vuur voelt. Onder het koken komt ze voortdurend naar boven en roept: ‘Waarom zetten jullie me op het vuur? Waarom keren jullie me ondersteboven terwijl jullie me toch kochten?’ De huisvrouw blijft haar onderduwen met de pollepel. ‘Nee!’ zegt ze. ‘Braaf koken nu en niet wegspringen bij degene die het vuur maakt. Ik kook je niet omdat ik een hekel aan je heb, maar omdat je zo op smaak komt, voedzaam wordt en vermengd raakt met de essentiële geest. Je wordt niet aan deze kwelling blootgesteld omdat je veracht wordt. Toen je nog groen en vers was, dronk je water in de tuin. Dat was omwille van dit vuur.’ Roemi Juwelen, (Masnavî III, 4159-4165) Koppig en traag De kikkererwt wordt gekookt om op smaak te komen en als voedsel te dienen. De raadselachtige woorden ‘Sterf vóór je sterft' zijn een code voor dit diepere inzicht. We zijn in de wereld om te versterven aan ons denkbeeldige zelf vóór we lichamelijk sterven. Dit is misschien wel het diepste geheim van het leven. De enige toegang tot het leven is de dood. De kikkererwt gaat niet verloren maar wordt verrijkt en wordt zo op een andere manier dienstbaar. Zo schrijft Kabir Helminski, een moderne leraar in de school van Roemi, in zijn indrukwekkende boek Levend soefisme dat versterving, opoffering en verzaking de poort is naar het eeuwige leven. Wat ons een onoverkomelijke, vreselijke barrière kan toeschijnen, wordt een toegang tot het Leven. Dit is iets dat in de leerling tot werkelijkheid gebracht moet worden. In deze context kan tot ons doordringen dat lijden geen vloek is, maar een zegen, een vriend. Vriendschap sluiten met het lijden is een belangrijke stap in onze spirituele evolutie. Ook al kan het heel lang duren en moeten we veel lijden om dit toe te geven, wij zijn allen leerlingen in de school van de liefde. Er is iets in ons dat halsstarrig weigert te zien wat zonneklaar is. Het is ongelooflijk hoe koppig en traag we zijn en hoe vaak we dat steeds opnieuw vergeten. We vergeten het wanneer we onszelf belangrijker vinden dan anderen, wanneer we onze eigen verlangens en doelstellingen plaatsen boven de gevoelens en het welzijn van de mensen van wie we houden. We vergeten het wanneer we anderen de schuld geven voor dingen die we zelf verkeerd gedaan hebben. We vergeten het wanneer we uit het oog verliezen dat we in deze school van de liefde allen de liefde willen leren. Roemi laat ons zien dat het binnen ieders bereik ligt de kunst van het liefhebben meester te worden. We kunnen onze liefde tot uitdrukking brengen door elkaar van dienst te zijn. De derwisj accepteert daarom een strenge discipline om het vuur van de liefde brandende te houden. De kruier rent op de zware last af en neemt haar van anderen over omdat hij weet dat lasten de basis zijn voor gemak en bittere dingen de voorbode van geluk. Zie de kruiers kibbelen om het vrachtje! Zo gaan zij te werk die de waarheid zien. Roemi, Daglicht (Masnavî II, 1834-1837) De keuken als leerplek De keuken is binnen de Mevlevi-leerweg altijd een belangrijke plek gebleven voor transformatie. Vroeger onderging de aspirant die wilde toetreden eerst een training van 1001 dagen, bestaande uit dienstverlening in de keuken, maar leerde in deze periode tevens de rituele bewegingen van het biddend wervelen en volgde Perzische les om de Masnavî beter te leren begrijpen. Hoewel het onderricht van de derwisjen nu enigszins is aangepast aan de behoeften en omstandigheden van deze tijd is de keuken nog steeds een belangrijke leerplek. De training (tjille) van een derwisj beslaat nu niet letterlijk duizend-en-één dag meer waarin je voortdurend dienstbaar bent, maar is een proces waarbij het gaat om de kwaliteit van de aandacht waarmee je het werk doet en de manier waarop je je inzet. De ultieme uiting van rijpheid is ‘dienstbaarheid’, niet in de zin van slaafsheid, maar in de zin van onverdroten vriendschap en vrijgevigheid. Sta in dienst van God opdat je misschien een minnaar mag worden: toewijding en dienstbaarheid is een weg tot de Liefde. De dienaar verlangt ernaar bevrijd te worden van het noodlot, de minnaar van God wil nooit meer vrij zijn. Sommige dienaren zijn uit op voordeel en eremantels, de eremantel van de minnaar is het aanschouwen van de Geliefde. Zeggen en horen kunnen de Liefde niet bevatten, Zij is een oceaan waarvan je de diepte niet kunt peilen. Deze zee telt ontelbare druppels, daarbij vergeleken vallen de zeven zeeën in het niet. Roemi, Juwelen (Masnavî V:2728-2732) Sipko A. den Boer (1960) is een vertegenwoordiger van de Mevlevi-orde die in het westen werkt onder de naam Threshold Society. Hij bestudeert de geschriften van Roemi al vele jaren en tien jaar geleden besloot hij te beginnen met het vertalen van zijn teksten. Hij raakte zo geïnspireerd dat hij kort daarna ook een aanvang maakte met een studie van de Perzische taal. Sipko A. den Boer wordt gedreven door een verlangen de woorden van Roemi toegankelijk te maken voor de Nederlandse lezer zodat ze kunnen bijdragen aan de spiritualiteit van onze tijd. Hij werkt al zo’n acht jaar samen met de vertaalster Aleid C. Swierenga, die met veel taalgevoel de meest getrouwe en treffende woorden helpt kiezen.
Verschenen in OostWest Boekenmagazine, nr. 2: Lente-Zomer 2006
terug naar boven
|
|