Boeken
terug 

Eenheid van Zijn

Pim Valkenberg

Nogal  wat gedichten van Roemi gaan over de vereniging met de Vriend of Geliefde. Om tot deze vereniging te kunnen komen, is het noodzakelijk dat het zelf wordt achtergelaten, omdat de zelfzucht een hindernis vormt.

Als het hart gezuiverd is van zelfzucht,
zie je jezelf weerspiegeld in je beste vriend.
Zonder die spiegel kun je jezelf niet zien.
In hem zie je jezelf als in een spiegel. [1]

Eigenlijk is de vereniging met God als een geliefde volgens de islam een onmogelijkheid, omdat de mens de grens tussen het geschapene en Gods almacht nooit kan passeren; Roemi lost dit probleem op door te stellen dat het menselijke zelf verdwijnt in de ontmoeting met God, omdat God eigenlijk alles is.

Wie geen weet heeft van de essentie,
wordt misleid door een lege dop.
De Geliefde bevindt zich in je ziel.
De zintuigen zijn de essentie van je lichaam
en de essentie van je zintuigen is je ziel.
Wie lichaam, zintuigen en ziel opgeeft, ziet:
Hij is alles.[2]

Dit ontworden van het zelf is één van de meest fascinerende, maar ook omstreden beelden in de gedichten van Roemi. Men heeft het vaak geïnterpreteerd als een soort pantheïsme, als een invloed van het Neoplatonisme of van de oosterse mystiek, maar eigenlijk is het een het radicale uitleg van de islamitische geloofsbelijdenis: mijn hart moet zich aan niets of niemand hechten, tenzij aan God.[3]

Aanvaard mij, vriend, en neem mijn ziel.
Maak mij dronken en bevrijd mij van de twee werelden,
neem alles weg waaraan mijn hart zich hecht buiten jou,
zet mij in vuur en vlam en neem alles van mij af.[4]

Een beeld dat Roemi dikwijls gebruikt, en dat ons aan het Hooglied kan doen denken: de minnaar is op zoek naar de geliefde – maar als de geliefde komt, is de minnaar verdwenen. [5] Op een heel andere manier wordt hetzelfde proces geschetst in één van de huiselijke beelden waar Roemi beroemd om is:

Kijk naar de kikkererwt in de pan,
hoe ze opspringt als ze het vuur voelt.
Onder het koken komt ze voortdurend naar boven en roept:
`Waarom zetten jullie me op het vuur?
Waarom keren jullie me ondersteboven terwijl jullie me toch kochten?’
De huisvrouw blijft haar onderduwen met de pollepel.
`Nee!’ zegt ze. `Braaf koken nu
en niet wegspringen bij degene die het vuur maakt.
Ik kook je niet omdat ik een hekel aan je heb,
maar omdat je zo op smaak komt, voedzaam wordt
en vermengd raakt met de essentiële geest.
Je wordt niet aan deze kwelling blootgesteld omdat je veracht wordt.
Toen je nog groen en vers was, dronk je water in de tuin.
Dat was omwille van dit vuur.’ [6]


In dit beeld van de kikkererwt die gekookt moet worden om als voedsel te kunnen dienen, komt naast het aspect van de ontwording nog een ander aspect naar voren dat eerder van groei spreekt, en van een herrijzen in een andere vorm: de erwt gaat niet verloren maar wordt verrijkt en wordt zo op een andere manier dienstbaar. Zo moet ook het zelf verloren gaan om in een hogere vorm weer terug te keren.[7]

Je ware kern gaat schuil onder leugens,
net als de smaak van boter in de karnemelk.
Je leugen is dit vergankelijke lichaam,
je waarheid die verheven geest.
Die karnemelk - het lichaam - is jarenlang
zichtbaar en openbaar, terwijl de boter - de geest -
erin ten onder gaat en wordt tenietgedaan -
tot God een profeet stuurt, een uitverkoren dienaar,
die de karnemelk in beweging houdt in de karnton
en met vaardige hand karnt
opdat je je ware zelf dat verborgen was mag leren kennen.[8]

Het is natuurlijk onjuist om de mystieke gedichten van Roemi te gaan systematiseren totdat er één boodschap uit spreekt. Maar wel is duidelijk dat Roemi op talloze plaatsen spreekt van de noodzaak  zelf, ziel en zaligheid los te laten, teneinde het op een ander niveau, ontworden, terug te vinden.

Het verstand is als een mot, en de geliefde als een kaars. Wanneer de mot tegen de kaars vliegt wordt hij verteerd en gedood. Maar zijn natuurlijke aanleg is om zo te doen en hoe vaak hij zich ook bezeert en pijn doet, hij kan niet leven zonder de kaars. Als er één dier is, dat niet zonder het licht van de kaars zou kunnen leven en in het vuur van de  kaars vliegt, dan is het een mot; terwijl als de mot in het vuur van de kaars zou vliegen en niet verteerd zou worden, dan is het geen kaars. Daarom is de mens die het zonder God kan stellen en geen moeite doet om Hem te bereiken, geen mens; terwijl als hij God zou kunnen begrijpen zou dat nooit God kunnen zijn. Daarom is de ware mens altijd bezig en cirkelt hij rusteloos en onophoudelijk rond het licht van Gods Majesteit. En God is Hij die de mens verteert en tot niets maakt zonder dat Hij door het verstand begrepen kan worden.[9]

Deze wereld is als een boom en wij zijn het halfrijpe fruit.
Onrijp fruit klampt zich vast aan de tak
want, onrijp, is het nog niet klaar voor het paleis.
Wanneer vruchten rijp, zoet en sappig worden,
bijten zij op hun lippen en laten los.
Wanneer de mond zoet is door geluk,
verliest het koninkrijk van de wereld zijn aantrekkingskracht.
Al te zeer gehecht zijn aan de wereld is een teken van onrijpheid.
Zolang je een embryo bent,
houd je je bezig met het drinken van bloed.[10]

  1. Roemi, Liefde is de weg, 72.
  2. Ibid., 39.
  3. Bij de formule van de eerste regel van de islamitische geloofsbelijdenis, La ilaha il Allah, moet bedacht worden dat hier tweemaal de algemene semitische term ‘elh (‘god’) gebruikt wordt: eerst in de onbepaalde vorm; er is geen god behalve Allah, dat is: de God.
  4. Roemi, Liefde is de weg, 69.
  5. Roemi, Juwelen, 68.
  6. Roemi, Juwelen, 63.
  7. Zie Schimmel, Mystical dimensions of Islam, 322.
  8. Roemi, Juwelen, 96.
  9. Roemi, Het is wat het is, 44.
  10. Roemi, Juwelen, p. 34.

Uit: Speling: tijdschrift voor bezinning , jrg. 55 (2003) nr. 1 (mrt.), p. 41-46, Valkenberg, Pim 'Ziel en zaligheid loslaten : Roemi'

terug naar boven

 



Home|Threshold Society|Mevlevi orde|Agenda|Artikelen|Boeken|Studiethema’s|Contact
The Threshold Society & The Mevlevi Order