Verhalen uit de Masnavi De dove die een zieke buurman opzocht Een rijke zei tegen een dove: `Weet je dat een van je buren ziek is?' De dove zei bij zichzelf: Wat snap ik, die hardhorend ben, van wat die jongeman zegt met name nu hij ziek is en een zwakke stem heeft? Maar ik moet er wel heen, daar kom ik niet onderuit. Als ik zijn lippen zie bewegen, moet ik maar raden wat hij zegt. Als ik zeg: `Hoe gaat het met je, mijn zieke vriend? Antwoordt hij waarschijnlijk: `Goed', of `Heel goed, dank je'. Dan zeg ik: `God zij dank!' `Wat heb je gedronken?' Dan antwoordt hij: `Een sorbet' of `Wat bonensoep'. Dan zeg ik: `Dat het je goed mag bekomen! Welke dokter heb je?' Dan antwoordt hij: `Dokter die en die.' Dan zeg ik: `Die brengt geluk. Als hij zich om je bekommert, komt alles goed. Hij is ook bij mij langs geweest. Waar hij komt, gaat elke wens in vervulling.' Nadat de goede man zich zo had voorbereid, ging hij de zieke opzoeken. `Hoe gaat het met je?', vroeg hij. `Ik ben stervende', antwoordde de zieke. `God zij dank!, riep de dove. De zieke was hier mateloos verontwaardigd over. Waar heb ik dit aan te danken? dacht hij. Hij moet altijd mijn vijand zijn geweest. De dove had er maar zo'n beetje met de pet naar gegooi en het was verkeerd gevallen. `Wat heb je gedronken?', vroeg hij daarna. `Vergif", zei de zieke. `Dat het goed mag bekomen!' riep de dove en dat maakte de patiënt nog bozer. `Welke dokter heb je?', vervolgde de dove. `Azraël, de engel van de dood. Maak dat je wegkomt!, riep de zieke. `Kop op, die brengt geluk', zei de dove en nam afscheid. "God zei dank!', zei hij vrolijk. `Ik ga maar weer eens!' `Die man is de vijand van mijn leven', riep de zieke. `Nooit geweten dat hij zo boosaardig was.' Er zijn velen die vrome werken doen en erop gespitst zijn gewaardeerd en beloond te worden, maar dat is in werkelijkheid een verborgen zonde tegen God. Datgene waarvan men dacht dat het heel zuiver was, is in feite heel smerig. Roemi, Masnavi boek I, 3360- 3385
Mozes en de schaapherder ofwel over Gods toegeeflijkheid Op een dag kwam Mozes een herder tegen. Hij hoorde hem zeggen: `God, U kiest wie U wilt. Waar bent U, dat ik Uw dienaar mag zijn, Uw schoeisel mag stikken, Uw haar mag kammen, Uw kleren mag wassen, Uw luizen mag doden en U melk mag brengen, meest Aanbedene? Dat ik Uw handje mag kussen en Uw voetje mag wassen, Uw kamertje mag aanvegen wanneer het bedtijd wordt. Ik offer U al mijn geiten. Als ik aan U denk roep ik ach en wee!' Zo stond de herder te bazelen. Mozes vroeg: `Tegen wie heb je het?' Tegen Hem die ons geschapen heeft', antwoordde de herder. `Tegen Hem die aarde en hemel in het aanschijn riep.' `Ah, je bent teruggevallen! zei Mozes. `Jij bent geen moslim, je doet afbreuk aan God. Wat is dit voor geleuter, ongeloof en gebazel? Stop een dot katoen in je mond! De hele wereld stinkt naar naar de stank van jouw godslastering. Jouw godslasterlijkheid maakt het zijden gewaad van de religie tot een vod. Schoenen en sokken passen misschien bij jou, maar toch niet bij de goddelijke Zon? Als je je keel niet dichtstopt zodat er niet meer zulke woorden uit komen, komt er een vuur dat het hele volk verteert.' `Mozes, u hebt mijn mond verzegeld en mijn ziel wordt verteerd van berouw', zei de herder. Hij slaakte een diepe zucht, scheurde zijn kleed en trok haastig verder door de woestijn. Toen kwam tot Mozes een openbaring van God. `Jij hebt Mijn dienaar van Mij gescheiden. Ben je gekomen om te verenigen of om uiteen te drijven? Onderneem, voor zover mogelijk geen stappen om te scheiden. Scheiding vind Ik het ergste wat er is. Ik schreef iedereen een bepaald gedrag voor. Ik gaf iedereen zijn eigen manier van uitdrukken. Wat voor hem prijzenswaardig is, is voor jou afkeurenswaardig, wat voor hem honing is, is voor jou vergif. Ik sta boven zuiverheid en onzuiverheid. Ik sta ver boven laksheid en enthousiasme. Ik heb geen geboden uitgevaardigd om er zelf voordeel van te hebben, maar opdat mijn dienaren er hun voordeel mee kunnen doen. Voor Indiërs is het gebruik van Hindi, voor Sindiërs het gebruik van Sindi prijzenswaardig. Ik word niet geheiligd door hun lofprijzingen, zij worden er zelf door geheiligd, zodat ze parels kunnen uitstrooien. Ik kijk niet naar taal en spraak, ik kijk naar het innerlijk en het gemoed. Ik kijk of het hart nederig is, ook al zijn de woorden die worden uitgesproken verre van nederig. Het hart is de hoofdzaak, de spraak slechts bijzaak. Het laatste is iets bijkomstigs, het gaat om het eerste. Heb je nog meer van dit soort frazen, ideeën, metaforen? Ik wil een hart dat in lichterlaaie staat. Maak je dat eigen! Ontsteek een liefdesvuur in ziel, verbrand alle denken en manieren van uiten!' Toen borg God in het hart van Mozes geheimenissen waarover niet gesproken kan worden. Toen Mozes zo door God berispt was, draafde hij de woestijn in op zoek naar de herder. Hij volgde de voetafdrukken van die verbijsterde man en holde zo hard dat hij het stof van de woestijn deed opdwarrelen. Ten slotte zag hij de herder, haalde hem in en deelde hem de blijde tijding mee. `Je hebt Gods toestemming. Bind je aanbidding niet aan voorschriften of methodes. Zeg gewoon wat je gepijnigde hart je ingeeft. Wat ik heiligschennis noemde is in feite ware religie en jouw religie is het licht van de geest. Je bent gered en door jou is een hele wereld behouden. God beschikt. Dat heeft je vrijgemaakt. Zeg wat je wilt zonder al te veel op je woorden te letten.' `Mozes, daar ben ik aan voorbij', zei de herder. `Ik baad nu in het bloed van mijn hart. Ik ben de `Lotusboom van de grenslijn' * voorbij. Ik ben een voetreis van honderdduizend jaar verder. U hanteerde de zweep. Mijn paard werd schichtig, sprong vooruit en schoot boven de hemel uit. Moge de goddelijkheid mijn menselijkheid nabij zijn. Gezegend zijn uw hoofd en arm! Er zijn geen woorden voor mijn huidige toestand.' Let wel! Of je God nu prijst of dankzegt, je lofprijzingen gaan net zo mank als de ongepaste woorden van die herder. Ook al gaat je lof die van hem te boven, ze is voor God even onbeholpen. Dat God je gebed aanvaardt komt voort uit Zijn overvloedige genade. Masnavi II, 1720-31; 1748-63; 1772, 1777-78; 1783-92; 1794-95; 1797 * De lotusboom van de grenslijn bevindt zich in het zevende paradijs. De kennis van de engelen reikt tot hier en niet verder. Toen Mohammed op zijn hemelreis zover was gekomen, kon de engel Gabriel hem dan ook niet verder leiden. Mevlana Roemi laat in dit verhaal zien dat het bij adâb (spirituele hoffelijkheid) niet alleen gaat om `weten hoe het hoort', `goede manieren', en voorschriften' maar ook om kwaliteiten als `openheid', `eerlijkheid', `nederigheid' en `een zuiver hart'. Het verhaal is zó geliefd onder Perzisch sprekenden dat het door de Iraanse zanger Sharam Nazeri op muziek is gezet (Sharam Nazeri, Masnawi, Moesi wa sjabân, Pars Video, Tarzana, Ca. U.S.A. 1997).
Uit: Honderd verhalen uit de Masnavi van Roemi A.J Arberry Panta Rhei Uitgeverij ISBN 9076771073
terug naar boven
|
|