terug 

Oden

Gedichten uit de Diwan-e Sjams-e Tabriz

Teruggekeerd is die maan
die de hemel zelfs in zijn dromen nooit heeft gezien.
Zij bracht een vuur dat geen water kan blussen.
Zie het huis van mijn lichaam en aanschouw mijn ziel –
de een in vervoering door de beker van Zijn liefde,
de ander erdoor verwoest.
Toen de herbergier de metgezel werd van mijn hart,
veranderde mijn bloed in wijn,
mijn hart in gebraden vlees.
Wanneer het oog vol is van Zijn beeld, verkondigt een stem:
`Leve de beker, leve de wijn!’
Toen mijn hart de oceaan van de Liefde aanschouwde,
dook het erin en zei: `Zoek me dan als je kan!’
Het gelaat van Sjams oed-Din, de trots van Tabriz, is de zon –
Alle harten zeilen als wolken achter hem aan.

Ode F. 310

Toelichting bij ode (ghazal) F. 310 In de soefi-traditie is het hart de plek waar mystieke ervaringen plaatsvinden. In deze ghazal wordt Roemi's hart door de liefde verlicht en wordt met de Geliefde verenigt doordat het zich in de oceaan van de geheimen van de Liefde werpt. `Gebraden vlees'(kebab) is een beeld dat Roemi vaak gebruikt om het vuur van het verlangen aan te duiden waarin het hart gaar gesudderd wordt. Sjams oed-Dīn betekent letterlijk `zon van het geloof'.

Dit is liefde: opwieken naar de hemel
Elk moment een honderdtal sluiers stukrijten.
Eerst maak je je los van het zelf,
Je eerste stap zet je zonder voeten –
Deze wereld negeren en alleen zien wat U ziet.
Ik zei: `Gelukgewenst, mijn hart
dat je de kring van minnaars hebt betreden,
dat je verder kijkt dan het oog,
dat je het hartenlaantje inrent.'
Waar komt deze adem vandaan, mijn hart?
Waar komt dit bonzen vandaan, mijn hart?
Vogel spreek de taal der vogels,
ik begrijp de geheime betekenis.
Het hart zei: `Ik was in de fabriek
waar het huis van water en klei stond te bakken.
Ik vloog bij de werkplaats vandaan
toen die in het leven werd geroepen.
Toen ik geen weerstand meer kon bieden,
sleepten ze me mee.
Wat moet ik daarover zeggen?'

Ode F. 1919

Toelichting bij ode (ghazal) F. 1919 In de mystieke traditie symboliseert waanzin vaak het oplossen van het zelf, dat op zijn beurt het hart van de mysticus opent voor de ware ervaring van de Werkelijkheid.

Onze woestijn heeft geen grenzen,
ons hart en onze ziel kennen geen rust.
Werelden in werelden namen vorm en gedaante aan,
maar welke betekenis geven wij daaraan?
Zie je onderweg een afgehakt hoofd
dat naar onze vlakte komt rollen,
vraag, vraag het dan naar onze hartsgeheimen,
want uit zijn mond hoor je ons verborgen geheim.
Hoe zou het zijn als er een oor was
dat de taal van onze vogels  kon opvangen?
Hoe zou het zijn als er een vogel  opsteeg
met om zijn nek de kraag van het geheim van Salomo?
Wat te zeggen, wat te denken?
Dit verhaal reikt immers verder dan onze beperkingen.
Maar hoe kunnen we erover zwijgen
als onze onrust hand over hand toeneemt?
Patrijs en valk - hoog en laag - vliegen beide
door de lucht van ons berglandschap,
de zevende hemel, waarvan Saturnus het hoogste punt is.
Laat dit verhaal rusten, vraag het ons niet,
want er zitten hiaten in.
Salāh al-Haqq wa'd-Dīn zal je de schoonheid laten zien
van onze sultan, de vorst der vorsten.

Ode F. 239

Toelichting bij ode (ghazal) F. 239 Roemi spreekt ook over de grenzeloze ruimte van lichamelijke en metafysische ervaringen waar een soefi doorheen gaat. Hij gebruikt het beeld van het afgeslagen hoofd dat naar het middelpunt van het mysterie rolt als symbool voor een minnaar die zelfloos en willoos naar de Geliefde toegetrokken wordt. Gaf de hop, de vogel die de boodschapper was tussen Salomo en de koningin van Saba, zijn geheimen maar prijs! (Vergelijk Koran, Soera an-Naml (De mieren), 27:20-45.) Maar je hebt er een goed oor voor nodig om zo'n boodschap te begrijpen, een boodschap die in de zevende hemel wordt onthuld. In de Samenspraak der vogels van ‘Attar - een Perzische dichter en mysticus uit de 12e eeuw - is de hop het symbool van de spirituele leider. Salāh al-Haqq wa'd-Dīn, letterlijk de `Zegeningen en de Waarheid van het Geloof', is tevens de koosnaam van Salāh oed-Dīn Faridoen Zarqoeb. Een dubbele bodem dus. Salāh oed-Dīn Faridoen Zarqoeb was eerst Roemi's vriend en later - nadat Roemi had geaccepteerd dat Sjams oed-Dīn waarschijnlijk dood was - de bron van spirituele inspiratie voor hemzelf en zijn leerlingen. Volgens sultan Weled, Roemi's zoon, sprak zijn vader als volgt over Salah oed-Dīn: `Die Sjams oed-Dīn over wie we steeds spraken is naar ons teruggekeerd. Wat zitten we nu te dromen! Hij is teruggekomen in een nieuw gewaad en stapt nu pronkend in zijn schoonheid rond.

Uit: Woorden van het paradijs
Gedichten van Roemi,
Uitgeverij Ten Have – Baarn
ISBN 9025952542

terug naar boven

 



Home|Roemi Kring|Soefisme|Agenda|Artikelen|Boeken|Studiethema’s|Contact
Roemi Kring